Dokter Ann Janssens, hematoloog aan het UZ Leuven, legt uit waarom.


Wat is chronische lymfatische leukemie?
 

“CLL is de meest voorkomende vorm van leukemie. Meestal worden leukemiecellen per toeval opgespoord bij een routine bloedonderzoek, zonder dat de patiënt klachten heeft. Het kan dan ook lang duren voor er symptomen opduiken. Enkele van deze symptomen zijn bijvoorbeeld vergrootte klieren, een tekort aan normale bloedcellen, nachtzweten of zonder directe aanleiding vermageren. Aangezien de ziekte zo goed als ongeneeslijk is en een beenmergtransplantatie voor veel patiënten te veel risico's inhoudt, starten we pas met de therapie wanneer er echt nood is aan symptoomcontrole.”

“Vroeger dachten we dat CLL enkel draaide om een bepaalde soort witte bloedcellen die te lang leefden, de zogenaamde uitgestelde geprogrammeerde celdood of apoptose. Die leukemiecellen hebben dus een overlevingsvoordeel op andere cellen en stapelen zich op. Nu weten we dat het probleem complexer is: er is sprake van zowel vertraagde apoptose als van verhoogde celdeling, net als bij andere soorten van leukemie. Bij CLL verloopt de celdeling echter veel minder uitgesproken.”

 

Wat zijn de mogelijke behandelingen?
 

“Vanaf de jaren zestig is men begonnen met klassieke chemotherapie als behandeling voor CLL. Die werkt zeer doeltreffend en wordt nog steeds gebruikt. Wanneer we samen met de patiënt kiezen voor de klassieke chemotherapie met een baxter, wordt de chemotherapeutica samen met antistoffen gedurende een zestal maanden via een ader toegediend bij de patiënt. Het doel is om na deze periode geen ziekte meer aan te treffen in het bloed of het beenmerg. Pas op: dat ze niet meer op te sporen is, wil niet zeggen dat de ziekte er niet meer is. Zelfs met de beste technieken kunnen we de ziekte pas zien als minstens 1 op de 10.000 witte bloedcellen een CLL-cel is. Die technieken zijn dan ook nog eens niet in elk laboratorium aanwezig, en werden nog niet gestandaardiseerd.”

“Als we na de chemokuur geen CLL-cellen meer terugvinden in het bloed of beenmerg van de patiënt, volgt een therapievrije periode die afhankelijk is van patiënt tot patiënt, gemiddeld zo'n twee à drie jaar. Maar de bijwerkingen tijdens zo'n klassieke chemokuur zijn natuurlijk algemeen bekend: vermoeidheid, algemene malaise, misselijkheid, vatbaarheid voor infecties, enz. Ter bestrijding van de op hol geslagen celdeling worden niet alleen de leukemiecellen aangevallen, maar ook de normaal delende cellen. In bepaalde omstandigheden kunnen we echter behandelen met een nieuwe klasse van geneesmiddelen.”



Ondanks dat we op dit moment zelfs met de nieuwe moleculen nog niemand helemaal kunnen genezen, kunnen we de levensverwachting van de CLL-patiënt ondertussen duidelijk verlengen.

“Naast chemotherapie kunnen we patiënten sinds enkele jaren namelijk behandelen met B-cel receptor inhibitoren. Dat zijn eiwitten die de overleving en de celdeling van de leukemiecellen stimuleren. De zogenaamde inhibitoren die we toedienen, moeten dat tegengaan. Op voorwaarde dat de patiënt zijn pillenkuur nauwgezet volgt, kunnen we de ziekte daarmee lang en goed controleren. Ook de bijwerkingen blijven beperkt, want cellen die geen B-cel eiwitten bevatten, blijven gespaard. Het zorgt ervoor dat de leukemiecellen niet of weinig delen, waardoor de patiënt er geen hinder meer van ondervindt. Bij de meeste patiënten blijft de ziekte wel zichtbaar aanwezig.”

 

Werden er de laatste jaren nog nieuwe ontdekkingen gedaan?
 

“Reeds in de jaren tachtig werd ontdekt dat vooral het eiwit B-cel 2 de boosdoener is die het sterven van de cellen tegenhoudt. Sindsdien is men dus op zoek naar een behandeling die specifiek daarop inwerkt. Nu pas kunnen we zeggen dat we de juiste molecule in een pilvorm hebben om dat probleemgericht aan te pakken, zonder al te veel bijwerkingen. Zo gaat het vaak in de industrie: voor een ontdekking van dertig jaar geleden, hebben we nu pas de juiste oplossing.”

 

Wat verbetert de nieuwe therapie voor de patiënt?
 

“Bij een aanzienlijk aantal patiënten kunnen we na de therapie met de nieuwe moleculen geen ziektecellen meer opsporen in het bloed of beenmerg. Zelfs veel patiënten die werden beschouwd als moeilijk te behandelen, lijken er goed op te reageren, ook degenen die niet of nauwelijks reageren op chemotherapie of de B-cel receptor inhibitoren. Bovendien zien we in de studies dat de levenskwaliteit stijgt.”

“Ondanks dat we op dit moment zelfs met de nieuwe moleculen nog niemand helemaal kunnen genezen, kunnen we de levensverwachting van de CLL-patiënt ondertussen duidelijk verlengen. De afgelopen jaren hebben we een grote sprong voorwaarts gemaakt, en de komende jaren zullen uitwijzen of we klassieke chemotherapie volledig achterwege zullen kunnen laten en vervangen door nieuwe middelen.”